Solidarity.
Previous
Next
 

Date of issue: 7th of December 1974.

OBC/COB numbers: 1738-1741

 

Created by: Marc Séverin / J. Malveaux

Perforation: 11 1/2
Size: 1738/1740 - 24 mm x 35 mm ;1739/1741 -35 x 24 mm
Composition of the sheets: 30
Printing Process: Screendeepprint
Number of plates: 1-2I
Printing Run: - 1738 - 795.494ex ; 1739 - 788.527 ex ; 1740 - 783.417 ; 1741 - 782.940ex
Paper: P3 ( see paper Types )

1738 - 4F+2F - Gentiaan
1739 - 5F+2F50 - Badger
1740 - 7F+3F50 - Scharrebijter
1741 - 10F+5F - Biggekruid

INFO

n de vorige eeuw reeds zeldzaam geworden in de Ardennen, is de groei van de Gentiana pneumonanthe L. de laatste halve eeuw nog meer achteruitgegaan. In het centraal gedeelte van de Ardennen zou deze mooie plant zelfs helemaal verdwenen zijn. Het is een taai kruid met smal gebladerte dat zelden meer dan 40 cm hoog wordt. Zijn bloemen die door hun uitzonderlijke schoonheid seffens in het oog vallen, richten hun geopende, diepblauwe met groen doorweven kelkjes van 3 à 5 cm lang, met afwisselend 5 driehoekige bloemblaadjes en 5 tandjes, bevallig naar de hemel. Ze prijken van juli tot oktober in enkele turfachtige venen of moerassige weiden waar men ze kan bewonderend. Het verdwijnen van de Gentiana pneumonanthe is te wijten aan droogleggingswerken en aan de verwoesting van de venen.

De Meles meles, in 't algemeen gewone das genoemd, wordt als een allesetend zoogdier bij de familie der marterachtige roofdieren ingedeeld. Hij heeft een lengte van 75 tot 90 cm en weegt tussen de 10 en 18 kg en zelfs meer. Het is een gedrongen zoolganger op korte pootjes en verspreidt een walgelijke geur. Door zijn algemene eigenschappen is de das verwant met de beer en de marter. Hij leeft bijna overal in Europa. Men vindt hem meestal in de bladerrijke bossen met grote open plekken. Zijn normale tred is de telgang en de draf. Zijn voedsel bestaat vooral uit larven, wortels, mollen, grote veldmuizen en slangen. Hij leeft paarsgewijs in diepe holen die soms een lengte van 10 m bereiken. Een deel van de winter slaapt hij en verlaat zijn hol slechts bij nacht om zich te voeden. In België werd bij deze diersoort een gevoelige achteruitgang vastgesteld. Dit ten gevolge van de vergassing der holen in de strijd tegen de hondsdolheid.

Schildvleugelig insect van de familie der Carabidae, gewoonlijk scharrebijter of goudkever genoemd; in het Waals "Chiva d'or ". Het is de meest gekende van onze loopkevers. Zijn grootte schommelt tussen 20 en 27 mm. Hij leeft in de velden. Van april tot juni zoekt hij, vooral 's morgens, de zon op. In de eerste plaats gaat het hier om een vleesetend insect dat verslingerd is op gewone slakken, huisjesslakken, aardwormen en meikevers. Deze tor is een voor de landbouw zeer nuttig diertje. Enkele jaren geleden kwam hij nog veelvuldig voor. Door het gebruik van kunstmeststoffen en insectenwerende middelen is zijn soort nu eerder zeldzaam geworden. Men treft hem nog aan in sommige streken van het land, ondermeer in de provincie Luxemburg waar dit schildvleugelig insect nog zeer verspreid schijnt te zijn. Het is raadzaam in dit verband de beschouwingen te lezen van de Franse natuurhistoricus J.H. Fabre in zijn " Souvenirs Entomologiques ", om een beter begrip te krijgen van het nut van deze kever bij de verdelging van de voor de landbouw schadelijke insecten. .

De Hypochoeris maculata L., het gevlekt biggekruid, komt in België alleen voor in de streek van de Ardennen. In het verleden werd het biggekruid in een twintigtal gemeenten opgemerkt; de laatste jaren evenwel werd het nog slechts op vier plaatsen gevonden. Het is een kruidachtige overblijvende plant van de familie der Composieten. De bladeren waarop roodachtige middennerven zich aftekenen en vaak gekenmerkt zijn door zeer eigenaardige bruine vlekken, vormen op de grond een helder groene rozet. Op ongeveer dertig à veertig centimeter hoogte dragen de stengels een of meer bloemkopjes die veel gelijkenis vertonen met die van de paardebloem. Van einde mei tot begin augustus vrolijken deze citroengele kopjes, met een doormeter van 4 tot 5 centimeter de droge weiden en de venen op, soms vergezeld van het valkruid. De verdwijning van het gevlekt biggekruid wordt in de hand gewerkt door het vruchtbaar maken van de venen en de aanplanting van naaldbomen.

 

.

.

.

.

.